reclamebureau ontwerpfabriek hilversum

Mijneneveld
‘Ach', zegt onze vriend, ‘het overkomt bijna iedereen. Op een bepaald moment in je leven betreed je, zonder dat je daar erg in hebt, een mijnenveld. Althans daar lijkt het veel op. En de kans dat je op zo'n onding trapt is dan groot. Slechts een enkeling heeft het domme geluk, overal tussendoor lopend, de eindstreep te halen.'
Hij had zoveel plezier in zijn werk dat tot zijn 67ste doorging met zijn advocatenpraktijk. Op een acute blindendarmontsteking na in zijn middelbareschooltijd, was hij nooit zo ziek geweest dat hij het bed moest houden en zijn verplichtingen niet kon nakomen. Een gezonde vent dus. Gelukkig getrouwd, altijd een matige drinker geweest, nooit gerookt, geen groot sportbeoefenaar, wel een enthousiaste wandelaar. Van nature slank, op het magere af. Zijn huisarts kende hij nauwelijks, een specialist had hij als volwassene nog nooit geconsulteerd om de doodeenvoudige reden dat het niet nodig was geweest. Alle reden om te veronderstellen dat mijn vriend zonder noemenswaardige mankementen heel oud zou worden om net als zijn vader, met de honderdste verjaardag in zicht, na een middagdutje op een koude winterdag, niet meer wakker te worden.
Nee dus. Hij lacht er een beetje verlegen om als hij het vertelt, omdat het zo onwerkelijk is. ‘Het is net of het over iemand anders gaat.' Een jaar geleden, precies een week nadat de vriend zichzelf met pensioen had gestuurd, trapte hij midden in de nacht van zondag op maandag op de eerste mijn. Het had het effect van een clusterbom. Totaal heeft hij in het afgelopen jaar zes weken in het ziekenhuis doorgebracht, waarvan twee weken op de intensive care, voor drie verschillende aandoeningen en wordt een vierde kwaal poliklinisch behandeld door een vijfde specialist.
Onwillekeurig tel ik mee maar zeg niet dat ik op een ander getal uitkom. Wat doet het ertoe? Nu zitten we samen op een terras. De zon schijnt. De hemel is wolkenloos. De wind wervelt miljoenen witte iepzaadjes in het rond, blaast ze omhoog, laat ze over de grond ritselen, stuwt ze tegen de stoeprand op, waait ze in onze haren en lokt een troepje als dansende vliegers tot grote hoogte om ze daar aangekomen terug te sturen naar de aarde. ‘Net sneeuw ,' zeggen we tegelijk. En dan zien we een klein meisje dat het materiaal ook zo behandelt: ze probeert met twee handjes de witte dubbeltjesgrote zaden te stapelen wat niet goed lukt omdat ze te glad zijn of een windvlaag krijgt vat op het heuveltje dat ze zojuist heeft weten te vormen. Ze geeft niet op. Begint opnieuw.
‘Het is prettig je in levende lijve te spreken,' zeg ik hem, ‘je ziet er goed uit. Je klinkt energiek. Niet ziek.' ‘Ik voel me ook prima,' reageert hij, ‘en ik beschouw mezelf ook niet als patiënt. Het is de medicijnendoseerdoos in de badkamer die me eraan herinnert dat ik wat mankeer, anders zou ik er niet eens een keer per dag bij stilstaan. Wees gerust: ik ga dood, maar nog niet nu.'
Dat gezegd hebben, veranderen we van onderwerp. Mijn vriend is na zijn huwelijk met een Italiaanse in Rome gaan wonen maar door de aaneenschakeling van affaires rond Berlusconi overwegen ze zich weer in Nederland te vestigen. Het schemert als we afscheid van elkaar nemen. Hij stapt op zijn geleende fiets en rijdt zonder om te kijken, zwaaiend weg.
Ik overdenk ons gesprek. Als ik ergens altijd al een hekel aan heb gehad, zijn het mensen die het eindeloos over hun fysieke ongemakken hebben, elkaar dikwijls niet eens laten uitspreken om al te roepen dat ze dat zelf ook hebben. Maar dan erger. Dat de kwalen, kwaaltjes en ziektes uiteindelijk hun enige onderwerp van gesprek wordt. Ze slurpen aandacht op, strooien met ongevraagde adviezen zonder naar anderen te luisteren en zeuren over hun lot.
Toch lijkt het erop dat ik ermee om moet leren gaan want er zijn behalve deze vriend meer mensen in wie ik, omdat ik van ze houd oprecht geïnteresseerd ben en die het mijnenveld in zijn gelopen.
Maar niet iedereen beheerst de kunst van het weglaten zo goed als hij, zie ik nu in. Er gelden overduidelijk ongeschreven etiquetteregels. Belangrijk is dat hij me details bespaarde, zonder de ernst van de situatie te bagatelliseren. Verder was hij optimistisch, prees de medische wetenschap, toonde belangstelling voor wat er in de rest van de wereld gebeurde en we hebben gelachen. Hij imiteerde de in Amerika opgeleide Indiase radioloog die Italiaans moest spreken, schetste de situatie toen een arts zich vergiste en zijn vrouw vroeg zich uit te kleden. We wisselden tips uit hoe het jezelf zo comfortabel mogelijk te maken in een ziekenhuis en bleken allebei onszelf voor onze eerste ziekenhuisopname getrakteerd te hebben op een peperdure kamerjas.

 

 

 

Marijke Hilhorst home
mijn bio
mijn boeken
uit de pers
column
mien bakgraag
schrijfcursus
uw biografie
contact
colofon
links