reclamebureau ontwerpfabriek hilversum
Visserslatijn
Sportvissen: mensen die er niet zo van houden omschrijven het als een tijdverdrijf met aan elke kant van de hengel een dooie pier. Ook zijn er faliekante tegenstanders die de beoefenaars dierenbeulen noemen. Als kind zat ik wel eens naast mijn vader aan de waterkant met aan een bamboe rietje een eenvoudig tuigje maar meer dan een schele pos heb ik nooit aan de haak gehad. Een schele pos vangen staat gelijk aan een leeg boterhamzakje ophalen. Pas een paar jaar geleden ontdekte ik hoe ongelooflijk leuk vissen kon zijn. Tijdens een overigens luxueus verblijf op de Malediven kregen we een avond het verzoek om voor ons eigen hoofdgerecht te zorgen. Bij een adembenemende zonsondergang voeren we een flink eind de zee op, tot de bemanning het schip praktisch stil legde en ons een eind touw in handen gaf waar aan het eind een stuk rauwe vis was bevestigd. Het was een kwestie van voeling houden met de lijn want we visten op een uiterst primitieve manier, zonder hengels of dobbers, laat staan molens. Zodra je voelde dat je beet had, moest je de vis razendsnel omhoog trekken door hand over hand plaatsend de meters lijn in te halen. Zo gemakkelijk was dat nog niet en als je te traag was, ontsnapte de prooi. Juist omdat het gevecht met de vis spannend was, was de bezigheid ontspannend. Ik had zoveel succes dat het een welhaast bijbelse ervaring werd: binnen een klein uur was mijn mand gevuld met elf prachtige, stevige vissen die dezelfde avond nog op de barbecue van het hotel werden geroosterd. Ze smaakten overheerlijk. Vissen als nuttige bezigheid, lijkt me boeiender dan hengelen naar een trofeefoto. Dat is wat karpervissers doen, heb ik onlangs kunnen vaststellen. Aan de rand van de vijver in een stadspark legden twee jonge mannen elkaar om beurten op hun mobieltjes vast. Hun benauwde blik gericht op de doorgezakte dikzak van een karper in hun handen. Ze hadden het over een ‘schub’ als ik het goed heb onthouden, die, naar ze zeiden, zevenentwintig pond woog en negentig centimeter lang was. Het leek me geen visserslatijn, het dier had monsterlijke afmetingen. Terwijl ik een praatje aanknoopte, smeerde de blonde van de twee uit een minuscuul potje – bijna teder - wat zalf op de bek van de karper, daar waar deze een kleine beschadiging vertoonde van de haak. Die zou helend werken. Daarna vlijden ze de gigant liefdevol in een speciaal daarvoor geconstrueerde groene hangmat, droegen die o zo voorzichtig samen naar het water en gaven de vis de gelegenheid rustig weer uit te zwemmen. Associeerde ik vissen vooral met oudere mannen, met saaie oudere mannen, dat beeld heb ik grondig moeten bijstellen na de ontmoeting met deze twee aardige dertigers. En in Parijs, zo leerde ik, is vissen dé trend onder hippe jongeren. De ‘stadsvissers’ zoals deze jongens èn meisjes zich noemen, hebben gewoon altijd een werphengeltje bij zich. Speciale kleding vinden ze volstrekt onnodig. Er wordt tussen studie of werk door een half uurtje in de Seine gevist of in het kanaal Saint Martin. Soms nemen ze de metro naar het eindpunt en proberen hun geluk buiten de stad want was natuur iets voor eikels, opeens is het, ook in goed Frans ‘cool’. De belangrijkste regel waar ze zich aan houden is: ‘no kill’. Een stadsvisser ‘avant la lettre’ is Boudewijn Magrant (1973) zo blijkt uit Een moment van verleiding waarin hij zijn bloedstollende avonturen als karpervisser beschrijft. In afwachting van een geschikt ruilhart ziet hij zich genoodzaakt in de buurt van huis te blijven, in de stad dus en te zwak om erop uit te gaan, zet hij zich aan de computer om te schrijven. Zijn prachtig geïllustreerde boek is uitsluitend te bestellen via www.eenmomentvanverleiding.nl. Ik las het niet van voor naar achter, maar tientallen keren sloeg ik het open om me laten verrassen. Het was alsof ik een trommel graaide met exotisch snoepgoed waarvan ik de smaak niet kende, maar ophouden kon ik ook niet. Neem mij onbekende woorden als ‘rodpod’ en ‘rig’, magische klinkende zinnetjes als ‘Er schoot daarnet nog een grote schub onder mijn voeten door, maar die pakte mijn korst niet ’, en spannende passages als ‘De vis draait aan de oppervlakte. Hij mag geen ruimte meer krijgen. Ik ben nu aan de winnende hand. Voor zover de vis het me toelaat, sleep ik hem met mijn hand op de spoel naar rechts, waar ik hem uiteindelijk kan scheppen. Met een woeste ruk aan mijn hengel geeft hij te kennen niet mee te willen werken. Ik moet toegeven. De zwaar afgestelde slip geeft tergend langzaam lijn af. De vis zwemt van me af naar open water. Nu heb ik een betere uitgangspositie om de dril tot een goed einde te brengen.’ Niet het vissen maar het boek is mijn moment van verleiding.
Marijke Hilhorst home
mijn bio
mijn boeken
uit de pers
column
mien bakgraag
schrijfcursus
uw biografie
contact
colofon
links